|
Geen geborgenheid
Elk kind heeft de behoefte om zich geborgen te voelen. Het heeft de geborgenheid van zijn thuis, zijn kamer, zijn bed en zijn speelgoed nodig. Geborgenheid is bestendigheid. Sommige gezinnen moeten regelmatig verhuizen omdat het werk van één van de beide ouders cq. verzorgers, dit vereist.
Als zij van huis naar huis of van stad naar stad verhuizen wordt het volgende patroon in de hersenen van het kind gevormd : 'Als ik gelukkig en geborgen wil zijn, zal ik regelmatig moeten verhuizen.'
Het spreekt vanzelf dat hij niet gelukkig en geborgen is, al dat verhuizen verwart hem, het maakt het kind bang en onzeker. Hij weet niet dat hij ergens anders heengaat omdat bijvoorbeeld zijn vader toevallig bij het leger is. Hij beseft alleen dat hij zijn geborgenheid kwijt raakt en dat doet pijn. En weer worden pijn en onzekerheid, als dit vaak genoeg gebeurt de norm, en zij worden als zodanig in zijn 'computerkaart' geponst.
In zijn latere leven zal deze persoon nooit lang in een plaats blijven wonen, of hij zal bijvoorbeeld, als hij niet regelmatig verhuist, steeds met het meubilair blijven schuiven. Veranderen, verhuizen is zijn manier van leven geworden. Als in een huwelijk één van de partners uit een 'verhuizend' gezin komt en de ander uit een 'niet-verhuizend' gezin, zal de laatste die behoefte aan constante verandering niet begrijpen en zal hij de rem erop zetten. Als echter beide partners een achtergrond van verhuizingen hebben zou het moeilijker kunnen worden. Steeds maar weer verhuizen is een kostbare zaak, bovendien wordt zonder gegronde reden regelmatig van baan gewisseld.
| KLACHTEN INDICATIES |
|